Waar de stoep verdwijnt

Een veldje waar de stoep verdwijnt,
een nieuwe straat nog niet begint.
Daar staat het groen nog overeind,
daar vlamt de zon met stralend weer,
daar strijkt een lome vogel neer
die zo maar op het gras verschijnt.

Kom mee, en droog je klamme zweet,
verlaat dit troebel labyrint,
de bloempjes in hun asfaltspleet.
We gaan met afgemeten tred
de weg, door pijlen uitgezet,
die leidt tot waar de stoep verdwijnt.

Met kalme tred, kom mee, ik ga
de wit gekrijte pijlen na:
een kind dat wt, zon kind dat seint
aan vriendjes waar de stoep verdwijnt.
Where the sidewalk ends

There is a place where the sidewalk ends
And before the street begins,
And there the grass grows soft and white,
And there the sun burns crimson bright,
And there the moon-bird rests from his flight
To cool in the peppermint wind.

Let us leave this place where the smoke blows black
And the dark street winds and bends.
Past the pits where the asphalt flowers grow
We shall walk with a walk that is measured and slow
And watch where the chalk-white arrows go
To the place where the sidewalk ends.

Yes well walk with a walk that is measured and slow,
And well go where the chalk-white arrows go,
For the children, they mark, and the children, they know
The place where the sidewalk ends.


Shel Silverstein (1974), 'Where the sidewalk ends', uit een gedichtenbundel voor kinderen waar ik toevallig op stuitte.