23       
Eerst verscheen daar bij het koord,
Elegast, zoals het hoort,
omdat hij de klager was.
Met zijn knieën op het gras
bad hij nederig tot God:

"Meester van ons aller lot,
wil me alstublieft vergeven
wat ik vroeger heb misdreven.
Ik moet boeten, naar ik weet,
voor de zonden die ik deed,
maar beheers vandáág uw wraak!
Help me bij mijn eretaak:
bij de kruisdood die u leed
(wat u voor de mensheid deed)
smeek ik u om zoveel kracht
dat ik win met overmacht
en vandaag in leven blijf
zonder schade aan mijn lijf.
Moge het uw wil behagen
dat ik ongedeerd zal slagen.
Goede God, verlaat me niet,
maar ik doe wat u gebiedt.
U, Maria, Moeder Gods,
zweer ik op mijn riddertrots,
dat ik nimmer meer hierna
ooit nog ergens stelen ga,
in geen woning, in geen woud,
als ik nu het leven houd."


Zijn gebed was hiermee klaar.
Hij sloeg kruisjes hier en daar,
bij zijn harnas en zijn zwaard,
en hij zegende zijn paard
om het extra sterk te maken
voor de dodelijke taken
die een ridder altijd vraagt
van het strijdros dat hem draagt.
Toen hij in het zadel zat
en zijn schild geheven had,
zag men Elegast daar staan
klaar om in de slag te gaan.
Reeds hield hij zijn lans bereid!
Eggeric kwam in het krijt,
vol bewapend, snel en fel,
opgefokt voor dit duel.
Kruisjes liet hij achterwege
en hij bad niet voor de zege,
maar reed zó naar Elegast.
Bijna had hem dat verrast,
maar ontsnappend aan de dood
plaatste hij een tegenstoot
met zijn lans op zijn kuras.
Eggeric viel op het gras.
Opgesprongen naast zijn paard
trok hij toen zijn machtig zwaard
langzaam uit de leren schede.

"Elegast, begin uw bede,
want ik dood u én uw dier!
Maar indien u nu en hier
knielt en mij uw heer verklaart,
blijft uw ros de dood bespaard.
Vers 1335-1365, 1366-1396.