20       
Dit pleidooi beviel alom.
Karel hing zijn wapens om,
net als ieder die er had
en daartoe het recht bezat,
klein en groot en jong en oud,
denkend aan hun lijfsbehoud.
Eggeric had overmacht:
ander volk, met eigen kracht,
van die zijde van de Rijn
zou vandaag zijn helper zijn.
Zestig mannen stonden daar
op de hof verborgen klaar.
Toen het volk van Eggermond
pal voor Karels vesting stond
ging de poort vrijwillig open:
ieder mocht naar binnen lopen!
Karels zestig zagen toen
dat men kwam om kwaad te doen:
onder hemden, onder jassen,
scholen wapens en kurassen.
Dit affront, een groot schandaal,
eiste straf voor allemaal.
Vloeken hielp niet, noch gebed,
allen werden vastgezet.
Ook toen Eggeric verscheen
had hij voetvolk om zich heen
dat hem hielp bij zijn complot.
Bij de gracht van 't hoge slot
dwong een wacht hem stil te staan
en de poort werd dichtgedaan.
Eggeric, die werd beklopt,
had zijn wapens k verstopt,
net als zijn trawantenstel.
Schaamteloos, zo leek het wel,
stond hij later voor de troon.
Karel droeg zijn koningskroon
en zei hem als rechter aan
waarom hij terecht moest staan.
Eggeric ontkende glad
dat hij snode plannen had.

"Dit is laster, onverdiend,
en die kost u menig vriend!
Bent u zelf degeen die waagt,
of het van een leenman vraagt,
dat de leugen wordt herhaald?
Dat wordt met de dood betaald!
Hij die zoiets durft beweren
zal ik met mijn zwaard fileren
of doorboor ik met mijn lans!
Komt u maar en grijp uw kans!"


Karel was van binnen blij
door wat Eggermond daar zei.
Elegast zou, opgespoord,
nog eens horen, woord voor woord,
wat de koning hem belooft:
Elegast behoudt zijn hoofd,
Karel geeft hem goud en goed
als beloning voor zijn moed,
mits hij in het strijdperk gaat
en daar Eggeric verslaat!

Vers 1152-1185, 1186-1215.