19       
Neem de buit alvast maar mee,
nu nog onverdeeld in twee.
Helften gaan we later maken.
Ik zal spreken van uw zaken
bij de koning, want ik zweer:
hij moet leven, onze heer!"


Daarna gingen ze uiteen,
Elegast naar huis, alleen,
naar zijn makkers in het bos.
Karel reed zijn snelle ros
naar zijn burcht te Ingelheim,
zeer ontdaan door het geheim
(onbedoeld voor Karels oren)
dat zijn sterven was gezworen
door een valse schijnvazal.
Open poorten, overal,
wachters snurkten onbezwaard.
Karel zorgde voor zijn paard.
Niemand merkte dat hij liep
naar de kamer waar hij sliep.
Toen zijn zwaard was afgedaan
is een wachter opgestaan
en bazuinde van de trans
naar de vroege ochtendglans.
Dat besloot de lange nacht
die door God was toegebracht
toen de koning zocht naar buit.
Dit signaal was klaar en luid!
Karel riep zijn trouwste knecht,
die hij snel heeft uitgelegd
Ún de heren van zijn raad,
wat het rijk te wachten staat.
Hij had in de nacht vernomen
dat een valsaard hier zou komen,
Eggeric van Eggermond,
straks al, in de ochtendstond,
met een hele legerschaar.
Die verraders stonden klaar
om hem in zijn eer te raken
en een lijk van hem te maken.
Karel vroeg nu aan zijn heren
hem loyaal te adviseren,
als hun zelfgekozen heer:
hoe beschermen wij mijn eer.

"Laat maar komen, wij zijn hier!"
riep de hertog van Bavier.
"Velen zullen sterven gaan,
toch raad ik dit stellig aan!
Sterke Fransen staan hier klaar,
van de Seine en de Loire,
ridders, knapen, allerhand,
die u meebracht uit dat land.
Zeker zijn ze graag bereid
u te volgen in de strijd!
Als u zelf ten strijde trekt
wordt u in de rug gedekt
door een garde van uw heren.
Niemand zal u kunnen deren!
Bloed zal vloeien, overal,
dat van Eggermond vooral!"
Vers 1094-1124, 1125-1151.