18       
"Heel de burcht staat op zijn kop
en u eindigt aan een strop.
Niemand laat u levend gaan,
zeker was 't met u gedaan!
Wat voor nut heeft zulk een plan?
Sterft de koning, jammer dan,
en men rouwt een dag of twee,
maar uzlf maakt dat niet mee!"


Als een test zei Karel dit.
Elegasts gezicht werd wit.
Karel had op dat moment
nog een tweede argument,
want het daglicht was nabij.
Elegast werd kwaad en zei:

"Was u niet mijn steelgenoot,
dan, bij God, zijn naam is groot,
liet ik nu niet ongewroken
wat u net hebt uitgesproken
over Karel, onze heer,
want u krenkt hem in zijn eer!
Maar ik zweer u, als zijn man,
dat ik vasthoud aan mijn plan
om me n op hem te wreken
die van moorden durft te spreken!
Eerder ga ik hier niet weg.
Kom ik om, dan is dat pech!"


Karel dacht: "Een ware vriend,
waaraan heb ik dat verdiend?

Moge God me nog behoeden
tot ik hem dit kan vergoeden!
Vriend, het lijkt me best gedaan
dat u Eggeric laat gaan
om hem elders te verhoren.
Geef uw zwarte paard de sporen
tot u voor de koning staat,
dan bent u nog niet te laat.
Zeg hem wat u hebt gehoord,
hij gelooft u op uw woord.
Dit maakt al het oude goed,
u krijgt loon in overvloed:
u mag aan zijn zijde rijden,
alle dagen, alle tijden,
z, alsof u broeders bent
en elkaar van jongsaf kent."


Elegast zei: "Dat geschiedt
van mijn levensdagen niet.
Karel haat me fel omdat
ik een greep deed uit zijn schat.
Meer dan n paard dragen kon
was de buit die ik toen won.
Ik vertoon me dus sindsdien
nergens waar hij mij kan zien.
Daaraan werk ik echt niet mee!"


"Luister dan naar dit idee,"
smeekte Karel toen heel vlug.
"Keer maar naar uw groep terug,
waar u die hebt thuisgelaten.
Laat me even verder praten.
Vers 1036-1064, 1065-1093.