17       
Buiten wachtte hem zijn paard
tussen bomen op het gras,
waar het goed verborgen was.
Koning Karel stond daar ook.
Hij was hevig van de kook:
op de buit die werd gebracht
had hij wel een eeuw gewacht!
Dolgraag was hij weggegaan.

"Wat hebt u daar toch gedáán?"

"Kon niet weg," zei Elegast,
"feiten hielden me daar vast!
Bijna brak daarnet mijn hart
door mijn woede en mijn smart.
Wat ik hoorde, wat ik zag,
was voor haar een hard gelag!
Ach, hoe schrijnend is haar leed
nu ze van de dreiging weet.
Vriend,"
besloot hij, "dit gerei
is nog mooier dan ik zei.
Nergens, in geen land of rijk,
vindt u iets, hieraan gelijk.
Hou het, ik moet wederkeren
om die schoft fatsoen te leren.
Ik onthoofd hem waar hij ligt,
want dat is mijn ridderplicht
en geen stapel geld of goud
die me van dit doel weerhoudt!
Daarna kom ik weer bij u."


Koning Karel zei hem cru
dat hij wel waanzinnig leek
(Elegast zag stervensbleek).

"Bent u dan niet ongedeerd,
rijk aan buit teruggekeerd,
mét dit zwaard, uw ware doel?"


"Nee, mijnheer, mijn haatgevoel
komt uit heel iets anders voort.
Hoor eens wat ik heb gehoord:
ik verlies mijn hoogste heer!
Dan vergeeft me niemand meer.
Wie zal deze leenman helpen
om alsnog zijn leed te stelpen?
Toen ik door zijn kamer sloop
smoorde Eggeric mijn hoop.
Hij wil zélf de troon verwerven,
morgen moet de koning sterven,
Eggeric beraamt een moord!"


Bij het horen van dit woord
ging bij hem een kaarsje aan:
dáárom moest hij stelen gaan!
Karel snapte nu dat God
hem behoedde voor dit lot.
Toen zei hij tot Elegast:

"Maar men vangt u boven vast
als u hem rond deze tijd
bij zijn vrouw de keel af snijdt.

Vers 977-1004, 1005-1035