16       
Toen hij in de kamer kwam
en de leren borstriem nam,
maakten bellen zacht kabaal.
Hun getinkel was fataal,
want het echtpaar werd gewekt.
Eggeric, nog toegedekt,
draaide zich strijdlustig om:
'Wie betast mijn eigendom?'
en hij reikte naar zijn zwaard.
Maar zijn vrouwe, onvervaard,
vroeg hem ijzig naar zijn waan:
of hij soms op jacht wou gaan
naar een spookbeeld uit een graf.
En ze pakte het hem af.
'Niemand hier van vlees of bloed,
en dat weet u donders goed.
Biecht me op wat u zo plaagt!'
En ze heeft hem ondervraagd
om te weten wat hij had,
waarom hij vol onrust zat,
drie keer nachtrust had gemist
(voor zover als zij dat wist)
en geen hap meer eten kon.
Ja, een kruisverhoor begon!
Vrouwenlist is bar en boos,
vindingrijk en leeftijdloos.
Eggeric werd uitgehoord
tot het kwam, het hoge woord:
'Ik heb Karels dood gezworen,'
liet hij Karels zuster horen.
'En er komen morgen heren
die me daarbij assisteren.'
Snoevend noemde hij de namen
van wat helpers die er kwamen.

Elegast was hoogst ontdaan.
Hij had ieder woord verstaan
en was buitenzinnig kwaad,
want hij haatte elk verraad.
Ook de vrouwe was ontsteld
door de dreiging van geweld.
'Dan verkies ik mijn verlangen
dat ze vandaag verhangen,
eer ik zoiets dulden zou!'
Toen sloeg Eggeric zijn vrouw
z gemeen op neus en mond,
dat haar rode bloed terstond
uit haar hoofd naar buiten droop
toen ze naar de bedrand kroop.
Elegast sloop snel naar voren.
Niemand kon de ridder horen,
ongezien kwam hij tot haar
en hield hij zijn handschoen klaar
om haar bloed in op te vangen.
Dit voldeed aan zijn verlangen
om de koning en de heren
met bewijs te confronteren!
Elegast de tovenaar
heeft daarna het kijvend paar
met een spreuk in slaap gebracht.
Tot het einde van de nacht
zwegen ze, en sliepen vast.
Zelf vertrok heer Elegast
met het zadel en het zwaard.
Vers 911-942, 943-976.