15       
"Dat heb ik nog nooit gedaan,
ik zet door,"
zei Elegast,
"Nochtans ben ik zeer verrast.
Ik laat mij vannacht niet vangen,
ook al wil men mij graag hangen!"

Toen vroeg ridder Elegast
om zijn grasspriet, naar het past.
Karel voelde aan zijn mond
en zijn tong ging tastend rond,
waar o waar was 't kruid gebleven?
Klagend zei hij: "Nog zoven
zat het in mijn lippen vast,
maar ik heb niet opgepast.
Nu ben ik de grasspriet kwijt,
hemel, wat een stommiteit!"


Elegast riep lachend uit:
"U bent echt een rare guit!
Vangt men u op staande voet
als u weer eens stelen moet?
't Is een wonder van formaat
dat u levend bij me staat!
Vriend,"
zo zei hij tot besluit,
"zlf ontnam ik u mijn kruid,
want een dief is vindingrijk."


Karel dacht: hij heeft gelijk,
maar hij hield zijn mond op slot.
Zwijgend bracht hij dank aan God,
omdat die bescherming bood.
Karels angst was niet meer groot:
God hield met zijn toverkracht
alle mensen heel de nacht
in hun bedden, waar men sliep.
Overal waar Karel liep
bleek dat hij de deur ontsloot,
zonder sleutel, klein of groot.
Sluipend zocht hij naar de schat,
niemand zag hem op zijn pad
en hij maakte geen geluid
bij het halen van de buit.
Hierna wilde Karel gaan.
Elegast is blijven staan,
want hij had zijn zin gezet
op een zadel naast het bed
waar het paar te slapen lag.
Deze buit, die hij toen zag,
was zo mooi en rijk van pracht
dat hij licht gaf in de nacht.
Ook de borstriem die er hing
was een oogverblindend ding,
opgesmukt met gouden bellen
die meerstemmig zouden schellen
steeds als Eggeric hem droeg.

"Wacht, het is nog niet genoeg,
want ik wil zijn zadel roven,
n keer moet ik nog naar boven."


Dat was niet naar Karels zin.
Hij zag af van meer gewin,
liever ging hij nu meteen.
Maar heer Elegast verdween.
Vers 852-880, 881-910.