14       
wacht op mij, ik haal het goud.
Elegast bedacht benauwd:
deze heer kan dit niet aan,
hij heeft dit nog nooit gedaan,
nee, het is geen echte dief.
Wel had hij zijn partner lief,
gunde hem de halve buit,
toch sloot hij hem n graag uit!
Elegast bezat een tas
met wat zeldzaam tovergras
en hij heeft op dat moment
tot gebruik van zijn talent
n spriet in zijn mond gedaan.
Ieder dier kon hij verstaan,
ezel, merrie en kapoen.
In hun taal vernam hij toen
van een kater en een hond
dat de koning buiten stond!

"Wel verdraaid!" dacht Elegast,
diep geschokt en zeer verrast.
"Karel hier? Wat is het kwaad
dat me hier te wachten staat?
Is dit weer mijn droeve lot
dat me ng een keer bespot?"

Haastig draaide hij zich om,
wenkte Karel bij zich: "Kom,
hoor eens wat ik heb verstaan
van die hond, ik wijs hem aan."

En hij wees toen naar de hond
van wie hij de taal verstond.

"Koning Karel is nabij!
Jaagt hij hier misschien op mij?"


Toen zei Karel: "Denkt u echt?
Wie heeft dat dan wel gezegd?
Sinds wanneer weet haas of hoen
wat de koning hier komt doen?
En gelooft u dat een hond
tot u spreekt met mensenmond?
Wees gerust, ik help u wel,
ga nu stelen, vriend, maar snel,
dt is wat ons dieven past!"


"Luister zelf," zei Elegast.
Hij stak Karel toen terstond
k een grasspriet in de mond.
"Vang nu op met eigen oren
wat de mijne konden horen."

Ditmaal kraaide er een haan
en ook Karel heeft verstaan
dat de koning was herkend.
"Zo," sprak Elegast content,
"deze haan herhaalt het weer,
dat hij hier is, onze heer,
en misschien dat hij me zoekt."


Toen zei Karel: "Wel vervloekt,
bent u bang geworden, vriend?
Waaraan heb ik dat verdiend?
Doet uw werk of laat ons gaan!"

Vers 793-824, 825-851.