13       
"Zeg me, ridder Adelbrecht,
wat is goed en wat is slecht?
Niet dat ik het heb gedaan
als het hier verkeerd mocht gaan,
want dan spot men later vast:
dat kwam door die Elegast!"


Karel wilde part noch deel:
"Ik was nooit in dit kasteel,
zelfs niet door de buitenpoort,
zeg ik u op erewoord.
Daarom staat het mij niet aan,
als ik hier voorop moet gaan."


"Geen probleem,' zei Elegast.
"Of het stelen u wel past
zal nog blijken deze nacht.
Nu wordt eerst van ons verwacht
dat we muren bestuderen
om een toegang te forceren."


Beiden leek dit voorstel goed.
Voorwaarts slopen ze, te voet,
over gras, een kale strook.
Elegast bezat een pook
om de muur te lijf te gaan.
Karel ging dicht naast hem staan.
Hij had nu zijn ploegmes vast,
tot vermaak van Elegast.
Die vroeg lachend: "Wat is dit?
Kende ik die meestersmid,
dan liet ik er ook een maken
om een deur of kast te kraken
of er spleten mee te wrikken
en om muren stuk te bikken."


Karel zei: "Het kwam zo uit.
Hier nabij, op zoek naar buit,
werd ik onlangs waargenomen
toen ik net was aangekomen.
Ik verdween in volle vaart,
en mijn koevoet viel van 't paard.
Hij was slordig vastgemaakt,
zo ben ik hem kwijtgeraakt.
Daardoor was ik zeer onthand
tot ik heden op het land
dit stuk ijzer blinken zag."


Elegast zei met een lach:
"Wedden, als dit goed verloopt,
dat u weer een koevoet koopt?"


Beiden gingen aan de slag,
het was donker, lang niet dag.
Elegast bleek meer bekwaam
dan zijn maat met valse naam.
Adelbrecht was groot en sterk,
maar een groentje in dit werk.
Toen het uitgehakte gat
krap voldoende doorsnee had
om er stil doorheen te gaan,
zei de ridder: blijf hier staan,
Vers 737-764, 765-792.