11       
rijke buit, hier zeer nabij,
die te stelen is door mij
vr de vroege ochtenddauw,
als u mij wat helpen zou.
Groter weelde roof ik dan
dan mijn strijdros dragen kan!
God zal ons dat wel vergeven,
want ik zweer u op mijn leven:
bijna alle spullen daar
zijn door hem gestolen waar.
Ik ken blindelings de weg,
neem maar aan wat ik u zeg.
Ook al roven we veel buit,
hem maakt dat geen donder uit.
Laat ons dr naar binnen gaan,
samen kunnen wij dit aan
als we partners zijn vannacht.
God heeft ons bijeen gebracht
om die klus met list te klaren
en die rijkdom te vergaren.
Ik zal delen, u zult kiezen,
niemand kan daarbij verliezen!"


"Maar waar vinden we die buit,
waarde vriend, leg dat eens uit,"

informeerde Elegast.
"Ik doe mee, als mij dat past.
Eer u toelicht wie en waar
vormen wij geen dievenpaar."


Karel kon het niet verzwijgen:
"U zult nu mijn antwoord krijgen.
Koning Karel bulkt van 't geld,
meer dan iemand heeft geteld,
wat we stelen mist hij niet!"


Dit deed Elegast verdriet,
want het gaf besist geen pas
dat de koning doelwit was:

"Adelbrecht, geen sprake van
als ik dat beletten kan!
Deze keuze maakt me kwaad!
Wel heeft hij, na fout beraad,
mij onteigend en verdreven,
toch blijf ik hem heel mijn leven
trouw als leenman toegewijd.
Nooit raakt hij mijn achting kwijt,
want hij is nog steeds mijn heer,
dat is wat ik plechtig zweer.
Zelfs geen duizend gouden ringen
kunnen me tot inbraak dwingen."


Karel hoort het zwijgend aan.
Heeft hij dit wel goed verstaan?
Elegast, de zwarte dief,
was hem trouw en had hem lief!
Voor wat lelijk fout ging, toen,
wilde Karel boete doen.
Graag zou hij hem z veel geven
dat de ridder weer kon leven
zonder stelen, zonder roven.
Dat wil Karel wel beloven!
Vers 593-647, 648-678.