10       
Nimmer bleef een deur of kist
lang gesloten voor mijn list,
nooit heeft zelfs een zware kast
mij gestuit,"
zei Elegast.
"Bij vermoeden van een buit
breek ik in en haal ik uit.
Slechts uit nood zoek ik gewin,
want ik voed een huisgezin.
Alle trucs zijn mij vertrouwd.
Zonder makkers uit het woud
ben ik nu op avontuur,
maar dit werd mijn noodlotsuur,
want u sloeg mijn zwaard kapot,
zeker met de hulp van God!
Klappen kreeg ik bij de vleet,
nooit zo veel, zo ver ik weet.
Nimmer zag ik in dit land
een bekwamer opposant.
Zeg me dus: hoe luidt uw naam?
Bovendien: voor wie zijn faam
bent u blijkbaar zo beducht
dat u in het donker vlucht?
Kunt u hem dan niet verslaan?
Bent u op de loop gegaan
ook al vecht u zeldzaam goed?"


Karel dacht in zijn gemoed:

"God heeft mijn gebed verhoord,
hiermee kan ik zeker voort!
Deze helper, die ik vroeg,
is als dief bekwaam genoeg.
Laten wij uit stelen gaan,
samen kunnen wij dat aan.
Ik moet liegen, maar uit nood,
voor de taak die God gebood.
Elegast, de hemel vraagt,"

zei hij, "dat u niet meer klaagt,
maar met mij in deze nacht
stelen gaat, vereend in kracht.
Hoor wat ik u mededeel:
ik besta doordat ik steel.
Had men mij hiervoor gevangen,
dan was ik allang gehangen,
ook al was mijn buit maar pover.
Puur uit noodzaak werd ik rover,
want, u weet het: nood breekt wet.
Heer, u gaf uw naam daarnet,
dus nu komt het ruilmoment
dat u ook de mijne kent.
Ik ben ridder Adelbrecht
en verzeker u oprecht
dat ik vaak uit kloosters steel
en uit kerken even veel;
nee, die monniken en papen
laat ik nergens rustig slapen.
Ook al kermt men van verdriet,
rijke lui ontzie ik niet.
Kon ik iets van iemand gappen,
dan liet ik hem niet ontsnappen.
Liever pakte ik iets af
dan dat ik een aalmoes gaf.
Zo heb ik de kost verdiend.
Maar nu weet ik, luister, vriend,
Vers 530-559, 560-592.