09       
Toen zei Karel, edel heer:
"Spreek dan zelf als eerste eer
ik in ruil te kennen geef
waarom ik verborgen bleef.
Zonder reden is het niet
dat u mij bewapend ziet.
Maar ik wil dat ik eerst weet
hoe u met uw toenaam heet."


"Deze vraag dunkt mij gepast.
Wel, mijn naam is Elegast,"

zei de zwarte ridder vlot.
"Mij geviel een kwalijk lot.
Ik verspeelde wat ik had,
al het land dat ik bezat,
puur door pech, als menigeen.
Daarom klaag ik steen en been!
Als ik uit de doeken deed
hoe ik werd geplaagd door leed,
bleef ik al te lang aan 't woord.
Mijn malheur is ongehoord!"


Karel had gegarandeerd
blijer niet gereageerd
als de koopwaar op de Rijn
allemaal van hém zou zijn!

"Ridder," zei hij aangedaan,
"wees zo goed, laat mij verstaan
hoe u nu de kost verdient,
als Gods vijand of zijn vriend?
Vrees van mij geen last of leed,
mits ik dat naar waarheid weet.
Wat ik u daarna vertel
krijgt u zonder nieuw duel,
als u zich beleefd gedraagt.
Zeg me wat ik heb gevraagd."


"ik zal doen wat mij nu past,"
antwoordt ridder Elegast,
"daarom wil ik niet verhelen:
ik moet leven door te stelen.
Maar, let wel, mijn ziel gebiedt:
van de armen steel ik niet.
Wie van reizen moet bestaan,
pelgrims, kooplui, laat ik gaan,
met hun beurzen, dat staat vast,
maar de rest ben ik tot last.
Zo breng ik mijn dagen door
sinds ik al mijn goed verloor
en het Karel heeft behaagd
dat ik bruut werd weggejaagd
van mijn land en uit mijn leen.
Arm en eerloos ging ik heen,
heb mezelf verstopt gehouden,
noodgedwongen, in de wouden.
Waar mijn klein gevolg van leeft
komt van wat de rijke geeft:
bisschop, pater noch pastoor
laat ik onbestolen door,
elke monnik of abdis
pluk ik kaal, dat is gewis.
Vers 470-499, 500-529.