08       
zwaardenstaal dat klinkt en klettert.
Harnasdelen zijn verpletterd,
zelfs de helmen op hun hoofd
werden half en half gekloofd!
Karel wist in zijn gemoed:

"Deze ridder vecht te goed!
God moet mij terzijde staan,
anders kan ik hem niet aan.
Maar mijn naam onthul ik niet,
daar mijn eer me dat verbiedt.
Niemand kan dat van me vragen!"


Z hard heeft hij toen geslagen
dat zijn vijand op dat veld
bijna tch werd uitgeteld!
Moeizaam kon hij verder gaan,
dus het was nog niet gedaan.
Naamloos heeft zijn zwaard gepakt
en op Karel ingehakt,
op zijn helm, zo hard en strak
dat de kling in tween brak."

"Wt een rotte tegenslag!"
dacht de zwarte, die wel zag
hoe het met hem was gesteld.
"Zwaardloos ben ik, half geveld.
Hoor ik nog wel op de aarde,
heb ik nog wel nut of waarde?
Nooit heb ik fortuin gekend,
eerloos kom ik aan mijn end,

want hij zal me liquideren.
Hoe kan ik me nog verweren?
Ik ben dood, dat staat wel vast."


Karel vond het ongepast
hem te doden nu hij zag
wat daar op de bosgrond lag:
wapenstaal, in twee gebroken,
want zijn eer was niet gewroken,
stak hij deze ridder dood
die geen tegenstand meer bood.
In de stilte op het veld,
na de strijd en het geweld,
kolkten vragen door hun brein.

"God mag mijn getuige zijn,"
heeft de koning toen gezegd,
"ik wil antwoord, en oprecht,
waarde heer, op wat ik vraag,
wilt u leven na vandaag.
Zeg uw naam en zeg hem snel,
dat beindigt dit duel.
Is aan dat verzoek voldaan,
dan mag u in vrede gaan,
nadat ik u heb gehoord."


Ridder Naamloos zei: "Akkoord,
mits u mij dan ook bekent
waarom aanwezig bent.
Is er iemand, deze nacht,
die u hier aanwezig acht?"
Vers 414-441, 442-469.