07       
en de ruiter riep: "Nu sta!
Zeg me, ridder, onverwijld
waarheen u zo stiekem ijlt!
Of is dat te veel gevraagd?
Wat u zoekt, waarop u jaagt,
zeg het voor u verder rijdt,
of wilt u aan mij niets kwijt?
Licht me in, is mijn advies,
voor ik mijn geduld verlies.
Ik wil weten, pertinent,
waar u heen gaat, wie u bent
en de naam van uw geslacht.
Minder duld ik niet vannacht."


Karels antwoord luidde koel:

"U eist veel, naar mijn gevoel,
mr dan wat ik zeggen moet.
Hou mijn antwoord maar tegoed,
want ik leefde al te lang,
zou ik zwichten onder dwang.
Immers, wie kan mij verplichten
over zaken te berichten
die ik strikt persoonlijk acht,
zelfs al hebt u helse macht?
Laat ons dus maar liever vechten,
dt kan dit geschil beslechten."


Karels schild was afgedekt,
want hij vreesde het effect
dat hij, rovend bij de Rijn,
niet meer anoniem zou zijn.
Niemand mocht de dief herkennen!
Toen begon elk paard te rennen.
Wendbaar, vurig, sterk en snel,
met hun ruiters, fier en fel,
stormden ze in volle draf
op elkanders vijand af.
Knallend botsten ze opeen,
geen van vieren bleef ter been.
Beide ridders gingen staan
om elkaar te lijf te gaan.
Daarna vocht men lange tijd,
af en aan ging deze strijd.
Die geen naam had was zo sterk,
en z rap zijn voetenwerk,
dat hij wel een duivel leek
en de koning haast bezweek.
Maar, zoals hij had gewild,
kliefde hij het zwarte schild
en als wrakhout uit de zee
brak het overlangs in twee.
In het wederzijds verweer
zoefden zwaarden heen en weer,
drongen binnen in vizieren,
maakten spleten, kerfden kieren.
Ook al was het harnas goed,
hier en daar verscheen wat bloed
uit de sneden in de huid.
Alles maakte hels geluid:
Vers 357-383, 384-413.