06       
Kwam hij uit uw hoog domein,
dan zou hij zo zwart niet zijn.
Man en paard, van hoofd tot voet,
zijn zo dof en zwart als roet.
Heer, wees mij tot steun vandaag,
dat is wat ik van u vraag
en dat ik niet laf zal zijn."


Dit gebed was kort en klein.
Ridder Zwart, nabij gekomen,
zag de koning bij de bomen
en hij peinsde op zijn ros:

"Deze is verdwaald in 't bos
en hij weet de weg niet meer.
Hij is op en top een heer,
maar hij komt niet voor een strijd,
ook al is hij toebereid:
nimmer nam ik wapens waar
in de laatste zeven jaar
die zo blonken, net als goud.
Maar wat zoekt hij in dit woud?
Geld is niet waar hij op jaagt
als hij zulke wapens draagt
en een edel paard bezit,
sterk en mooi en groot als dit."


Karel hield zijn ros in toom,
rijdend langs het zwart fantoom,
Beiden spiedden naar elkaar
zonder woorden of gebaar.
Toen dit kijken was gedaan,
bleef de zwarte ruiter staan
en hij peinsde in zijn brein:

"Wie kan deze vreemde zijn?
Waarom reed hij stil voorbij
zonder dat hij mij iets zei?
Ja, hij kwam me tegemoet
zonder handgebaar of groet!
Vindt hij mij misschien te min,
heeft hij misdaad in de zin?
Meende ik, hij kwam hierheen
om me, net als menigeen,
(niemand kon het ooit tevoren)
voor de koning op te sporen,
die ik vrees en die ik acht,
dán kwam hij niet weg vannacht!
Kan het niet dat hij hier is,
in een nacht vol duisternis,
enkel en alleen voor mij?
Gods genade sta me bij,
liever val ik dapper aan
dan dat ik hem weg laat gaan.
Is hij hier om mij te vangen,
dan zal ik als buit verlangen
alles wat hij bij zich heeft!
Hij mag blij zijn dat hij leeft,
wie me zoekt die vraagt erom!"


Paard en ruiter keerden om,
gingen koning Karel na,
Vers 298-327, 328-356