05       
nam ik goed en have af:
Elegast kreeg dubbel straf!
Daarom zwerft hij door het woud,
zoekt hij rusteloos naar goud
op de oevers van de Rijn
voor wie mét hem landloos zijn.
Van de armen steelt hij niet
en ik hoor dat hij ontziet
wie van reizen moet bestáán.
Pelgrims, kooplui laat hij gaan
met hun beurzen, dat staat vast,
maar de rest is hij tot last:
bisschop, pater noch pastoor
laat hij onbestolen door,
van een monnik of abdis
jat hij wat van waarde is
plus hun muildier of hun paard.
Daarom is hij nu vermaard.
Ridders stoot hij uit het zadel,
zijn ze al of niet van adel,
en berooft hij door zijn moed
van hun munten en hun goed:
zilver, kleding en juwelen,
wat het is kan hem niet schelen.
Roven, dat is wat hij doet,
als hij rijke lui ontmoet.
Zij het gouddoek of satijn,
hij verwisselt mijn en dijn.
Nooit is hij gearresteerd,
zelden is dat geprobeerd.
Niemand die hem vangen kan.
Ach, ik wou dat deze man
nu mijn metgezel kon wezen.
Weinig had ik dan te vrezen!"


Hierna reed de koning voort.
Toen heeft hij geklop gehoord:
hoeven van een ander ros
dat nabij kwam in het bos,
in de duisternis verscholen,
alle riemen zwart als kolen.
En de wapens van die heer
leken grauw geverfd met teer.
Ook zijn kleren, een voor een,
en het harnas eromheen
waren zwarter dan een graf.
Deze ruiter kwam in draf
naar de koning toe gereden,
zoals zwijnenjagers deden.
Karel sloeg bevreesd een kruis,
deze ridder was niet pluis:
duivels wezen, zwart van vel,
vast afkomstig uit de hel!
Karel richtte zich tot God:

"Heer, wordt dit mijn aardse lot?
Ik gehoorzaam en sta klaar,
ben niet bang voor dit gevaar.
Wat mijn oog hier komen ziet
is de duivel, anders niet.

Vers 240-269, 270-297.