01       
Dit verhaal is zeker waar,
niets gelogen, luister maar.
Het is avond, nogal laat,
als de koning slapen gaat
in zijn Ingelheims kasteel.
De omgeving is geheel
Karels land, hij is de baas
van de Rijn tot aan de Maas.
Dingen zijn er toen geschied
die vergeet u voortaan niet!
Hij houdt daar zijn koningshof,
spreekt er recht, ontvangt er lof,
van de heren, groot en klein,
die vazal en leenman zijn.
In zijn bedstee, toegedekt,
is hij door een stem gewekt,
uit de hemel neergedaald
met een taak, door God bepaald.

"Het is tijd om op te staan,
trek meteen uw kleren aan,
neem uw wapens en ga stelen,
kom ik namens God bevelen
(hij die is ons aller Heer).
Anders kost u dat uw eer!
Blijft u hier en steelt u niet,
reken dan op diep verdriet,
want u valt misschien wel dood,
bij uw heren, klein en groot,
vr uw hofdag is gedaan!
Kort en goed: u moet nu gaan.
Grijp uw speer en borstkuras,
dat komt straks misschien van pas.
Stijg onmiddellijk te paard
en vertrek in volle vaart."


Karel heeft het aangehoord
en verstaan, van woord tot woord,
en hij dacht: een raar verhaal!
Niemand zag hij in de zaal,
dus hij hield het voor een droom
of een vluchtig nachtfantoom:
niet iets om voor op te staan.
Maar de engel drong toen aan
en herhaalde met meer kracht
welke opdracht hij hem bracht:

"Doe uw plicht, kom uit uw bed,
of hebt u niet opgelet?
Weigert u wat God gebood
dan valt u vandaag nog dood!"

Na die woorden zweeg hij weer.

Karel riep: "O lieve Heer!"
Hij was nu toch echt ontdaan.
"Welk gedrocht doet mij dit aan,
is 't een duivel die dit vraagt
of een geest die me belaagt?
Zeg me, voor ik dit begin,
wat heeft stelen nog voor zin?
Ik ben n al welgesteld,
mij mankeert het niet aan geld.
Vers 0-30, 31-58.